bevolkingspolitiek

Ze wordt bijna altijd in kwantitatieve termen besproken, met als kernthema de grootte van een bevolking, haar toename, in verhouding tot de materiële middelen die nodig zijn om te kunnen bestaan. Over deze kwantitatieve benadering wil ik het hier niet hebben, wel over interventies en strategieën die een bevolking, of een bevolkingsgroep, sturen en/of disciplineren, zoals de uitvinding van het kind: in het Rijksmuseum kan je in de schilderijen vrij precies zien wanneer kinderen niet meer als kleine volwassenen worden benaderd, zij krijgen dan hun eigen kinderlijke kleding aangetrokken, wat zijn hier de bedoelde en onbedoelde gevolgen, maakt deze verandering deel uit van een bredere strategie? Lange tijd werd iedereen die als nutteloos werd beschouwd in een (algemeen) gasthuis ondergebracht, later gevolgd door een differentiatie in verschillende categorieën onproductieven, die dan naar de daarbij behorende instellingen werden gestuurd, zoals ziekenhuizen, werkhuizen en weeshuizen. ‘Privaat’ betekent in het Nederlands ook ‘wc’, ligt, in het onzichtbaar maken van het ontlasten van het lichaam, m.n. de edele delen, door ze op te sluiten in  de wc, niet een krachtig begin van de individualisering? Wc’s en aparte slaapkamers produceren schaamte t.a.v. bepaalde lichaamsdelen en hun functies, geheel in lijn met de christelijke moraal. Zijn schaamte, schuld en slecht geweten niet verschillende stadia in één verhaal, slaat schaamte niet om in schuldgevoel als iemand steeds schaamte ervaart bij een bepaalde handeling en daardoor zichzelf als de oorzaak, d.w.z. als de schuldige gaat zien, wordt schuld niet omgezet in slecht geweten als we ons regelmatig schuldig voelen en er van overtuigd raken dat we een slecht wezen zijn? Is wat wij graag ‘intimiteit’ noemen niet een aangenaam klinkend en romantisch woord voor schaamte? Dit soort vragen zou ik aan bevolkingspolitieke ingrepen willen stellen. Michel Foucault heeft op dit terrein relevant onderzoek gedaan, met zijn geschiedenis van de gevangenis, het ziekenhuis, de psychiatrie en de sexualiteit. De opkomst van het panopticum als model voor de gevangenisbouw, de uitvinding van de wc zijn bouwkundige vernieuwingen, zij laten zien dat ook architectonische ingrepen een rol in de ontwikkeling van het moderne sociale spelen en bij het onderzoek naar een bevolkingspolitiek betrokken moeten worden. Dit zijn een aantal onuitgewerkte vragen die aan een bevolkingspolitiek gesteld kunnen worden, een paar gezichtspunten, rijp voor discussie.

Tim Flesseman timflesseman@gmail.com GOYA_-_Entierro_de_la_Sardina_(Real_Academia_de_Bellas_Artes_de_San_Fernando,_1812-14)

Mijn klacht

een economie van de schuld

Nadat ik Portnoy’s complaint had gelezen, heb ik mijn moeder onmiddellijk omgedoopt tot Sophie, ze leek zoveel op de moeder van Portnoy dat ik daar niet omheen kon. Een paar maanden geleden zag ik een interview met Philip Roth, toen het boek ter sprake kwam bleek het vooral over Portnoy’s obsessie met sex te gaan, met name over zijn hoogstandjes op het gebied van de zelfbevrediging, ik wist dat niet meer, er was bij mij iets geheel anders blijven hangen, namelijk de zelfmoord van zijn 14 jarige neefje die een briefje had achtergelaten met de tekst, ‘moeder vergeet niet dat morgen de pianostemmer komt’, tot en met de laatste seconde van zijn korte leven wilde hij attent blijven voor zijn moeder, ondanks de ellende. De kern van de overeenkomst tussen de twee moeders is het gebruik van schuld om de gezinsverhoudingen te reguleren, de Joodse moeder is een meester in het genereren en exploiteren van schuld. Mijn moeder’s ultieme wapen was het ensceneren van zelf­moordpogingen, bij iedere poging dompelde ze mijn vader, mijn broer en ik onder in schuldgevoel, bij de derde keer kreeg ik door wat ze aan het doen was.

In tegenstelling tot de Sophie van Philip Roth was mijn moeder een buitengewoon koele vrouw, de typische Joodse moeder is een warme lichamelijke vrouw, de mijne was een 3 sterren ijskast, al ze al ooit tederheid en lichamelijkheid heeft gekend, ik heb er nooit iets van gemerkt. De basis strategie van de Jiddische memme is simpel, ‘moeder is niet kwaad maar wel verdrietig’, als je stout bent, als je niet hebt gedaan wat ik je vroeg, dan maak je me verdrietig, je mag nu even niet met je hoofd op mijn borsten liggen en sla ik even geen arm om je heen, je weet waarom; lijfelijkheid en geborgenheid worden zo tot wapen in de gezinspolitiek gemaakt, hun vanzelfsprekendheid wordt ongedaan gemaakt, ze worden een betaalmiddel voor brave kinderen. ‘Moeder is verdrietig’ wil zeggen, ‘jij hebt me pijn gedaan en daaraan ben jij schuldig’; kwaad zijn is simpeler, is recht door zee, je hebt iets fout gedaan, met als boodschap, ‘tot hier en niet verder’, als er al pijn en verdriet is, ze worden niet uitgespeeld, ze worden niet tot een instrument van disciplinering gemaakt; de Joodse moeder koppelt lichamelijk contact en geborgenheid aan onzekerheid, afwijzing en schuldgevoel. Een moeder is voor kinderen het voorbeeld van wat alle vrouwen zouden zijn, hoe een moeder zich gedraagt zal, onbewust, geprojecteerd worden op andere vrouwen. Het met onzekerheid, afwijzing en schuld vergiftigde lichamelijke contact drijft de Joodse zonen in de armen van hoeren, daar is geen onzekerheid of een mogelijke afwijzing, het is gewoon een kwestie van geld, je weet waar je aan toe bent, als je maar betaalt, wat een opluchting, wat een armoe en opnieuw schuldgevoel. Toen wethouder Asscher, gedekt door burgemeester Cohen, begon om de raamhoeren uit Amsterdam te verdrijven, dacht ik onmiddellijk dat hun schuldgevoel weleens de drijvende kracht in de sterilise­ring van mijn stad zou kunnen zijn.

Voor een ding moet ik mijn moeder dankbaar zijn, op een niet te vergeten manier heeft ze me laten zien hoe venijnig deze handel in schuld en onthouding is, hoe ‘t schuldgevoel bruikbaar kan worden gemaakt en wat de gevolgen daarvan zijn.

andre_masson_z_cyklu

Angst en schuld zijn de belangrijkste instrumenten van de moderne macht, er zijn uiteraard nog allerlei andersoortige interventies, vaak gekoppeld aan beloningen en straffen, met als stok achter de deur fysiek geweld; angst en schuld echter, zijn de productiefste en goedkoopste vormen van machtsuitoefening omdat de te sturen of te disciplineren individuen deze zelf voltrekken, de angst (voor werkloosheid, ziekte, klimaatsverandering,…), zich schuldig voelen voor (klimaatsverande­ring, ziek of werkloos te zijn,…), maken deel uit (van de psyche) van individuen, zij ervaren de angst en het schuldgevoel, wat hun vaak in de gewenste richting zal duwen. De laatste jaren worden we continu bestookt met adviezen over hoe te eten en te drinken, hoe en hoeveel te bewegen, enz., met vermelding van de mogelijke consequenties als we de goede raad niet opvolgen, gekoppeld aan grafieken over de toenemende kosten van de gezondheidszorg, waar we ook effectief mee te maken krijgen door de stijgende premies, gekoppeld aan cijfers over de economische kosten van het ziekteverzuim, dat alles zegt: ‘als je ziek bent, dan kost je de maatschappij, je moet aan de arbeid, dat levert wat op, het is jouw schuld, had je de adviezen maar moeten opvolgen, beter worden en aan het werk!’ Alleen ernstige zieken zijn de hele dag bezig met hun gezondheid.

Van een goede burger wordt verwacht (geëist) dat hij/zij economische productief is, braaf, en het liefst een verklikker, dat ter ere van Anne Frank. Velen van ons, niet allen, voltrekken, geheel of ge­deeltelijk, hun eigen disciplinering, voor wie niet mee wil spelen is er nog een pakket andere inter­venties, met als slot op de deur, de gevangenis en het gekkenhuis. Zichzelf als schuldig zien, zich schuldig voelen, produceert angst voor een mogelijke straf en haar zwaarte; angst voor een aanslag, wees op je hoede, houd je buren, nee iedereen in de gaten, angst om ziek te worden, of werkloos … Angst en schuld vormen een productief koppel in de werking van de moderne macht en, ze werken verstikkend. De verspreiding en verinnerlijking van schuld en angst onder de bevolking is de moderne maat­schappij haar grootste kapitaal, dat ook van buitenaf kan worden aangesproken, wat Israel niet alle­maal voor elkaar heeft gekregen door weer eens 6.000.000 vernietigde Joden in herinnering te brengen; er is ook de schuld die een heel land verlamt, de Mof die zijn militaire verantwoordelijk­heid niet neemt, ondanks zijn plaats in Europa, uit schuldgevoel.

Al die politici, hoge ambtenaren, ceo’s van banken die hun excuses ergens voor aanbieden, all over the world, doen dat om de illusie te wekken dat ze zichzelf schuldig achten, ze gaan echter verder op dezelfde voet, om dan weer … ‘t Schuldkapitaal is net als het geldkapitaal ongelijk verdeeld, het is evident dat de banken geen maat wisten te houden in de nieuwe ruimte gecreëerd door de liberalisering van het bankwezen, dat hun, meer, meer, meer … op hol sloeg en zo het hele financiële systeem aan het wankelen bracht, betalen zij voor de gemaakte kosten? Nee, dat doen de belas­tingbetaler, de pensioentrekker en allen die getroffenen zijn door de economische malaise. Politici: saaie bankbediendes. Hoe hoger in de boom, hoe minder schuldgevoel, schuld en angst zijn voor het volk, dat maakt het kneedbaar en bruikbaar.

panopticon-prison-panopticum00-resize_big

God verwekt een zoon om hem te laten kruisigen, niet uit een of ander duister motief, maar om het de mensheid mogelijk te maken zich van haar schuld te ontdoen, zo wordt gezegd. Maar waaraan zijn wij dan wel schuldig, wat heeft de mensheid misdaan om schuldig verklaard te moeten worden? In deze opzet wordt zonder aanleiding geponeerd dat de mensheid schuldig is, die onbewezen vooronderstelling wordt kracht bijgezet door Jezus te offeren, dat doet zijn vader niet zomaar, alleen bij de hoogste nood zou zo iets acceptabel zijn, er moet dus wel iets heel ernstig’s aan de hand zijn, wij zullen dus wel schuldig zijn en niet een klein beetje ook. Dit is een magistrale truc, de zoon wordt niet geofferd opdat de mensheid zich van zijn schuld kan bevrijden, maar juist om haar in schuld onder te dompelen, wij staan bij god in de schuld, hij heeft immers voor ons zijn zoon geofferd. Dit schuld producerende en exploiterende apparaat fuseerde met de Romeinse imperiale machine om te vuur en te zwaard de schuld, van het christelijke type, over de aarde te verspreiden, nu, na ongeveer 1700 jaar, zitten we nog met de gebakken peren.

De verinnerlijking van het zichzelf schuldig achten kan zo diep gaan, het geloof in onze eigen schuld kan zo sterk worden, dat we ervan overtuigd raken dat we in de kern een slecht wezen zijn: het slechte geweten wordt geboren. We moeten dan voortdurend onszelf, vooral onszelf en niet zozeer de buitenwacht, bewijzen dat we een goed mens zijn: ‘Ik heb niets tegen gekleurde mensen’ – ‘dat zal wel, ik ging er vanuit dat dat zo was nu je het erover hebt, je hoeft mij niets te bewijzen’, denk ik dan; ‘vrouwen zijn voor mij meer dan een sexobject’ – ‘mooi jongen, je bent een goed mens.’ Onder tussen zijn we Zwarte Piet aan het slechte geweten kwijtgeraakt, die brave Nederlanders. ‘Ik hoop dat …’, een uitspraak van een spreker die alleen maar wil laten horen dat hij het goed meent, wie twijfelde daaraan? ‘Hopen doe je op de wc’, zeiden we vroeger. Wat mij echt kwaad maakt is dat ik alleen maar boeren kan laten, wat is dat voor sexisme, dat moet worden rechtgezet, ik wil ook een boerin kunnen laten zingen.

Een bekende uitbuiter van het slechte geweten is Freud: ‘jij hebt met je moeder willen slapen en je vader willen doden’ – ‘DAT DUS HEB IK GEWILD!’ Zeker omdat Freud het zegt, schiet toch op. Helaas was het opkomende slechte geweten een vruchtbare bodem voor deze giftige bloem. De jonge Sigmund geilde op z’n stiefmoeder, die meer van zijn generatie was dan die van zijn vader, daar zal ‘t jochie het wel moeilijk mee hebben gehad, het slimmerikje zette de Oedipus mythe naar zijn schlong en smeerde  zijn verlangen uit over alle zonen van de hele wereld, een verlangen dat bij allen zou spelen, als een erfzonde, de bijbel volgens Freud; hij was nu gelukkig één onder velen, niet meer de enige, zijn verlangen was erfelijk, wat kon hij daaraan doen, zou deze smakeloze kunstgreep zijn schuldgevoel hebben afge­zwakt?

Daar zit weer zo’n moderne moeder of vader een koter met een infantiel stemmetje toe te spreken, door de knieën gezakt, met het hoofd op dezelfde hoogte als die van het kind. Wil je geen volwas­sene, geen vader of moeder zijn, wil je je kind in de maling nemen en net doen alsof je ook een kind bent, moet je soms jezelf bewijzen dat je geen kinderonderdrukker bent? Waarom zou je dat denken? Kinderen zijn voor een belangrijk gedeelte van hun ouders afhankelijk, dat hoeft niet ver­bloemd te worden, het is n.b. een natuurlijke afhankelijkheid, als je dat als problematisch ervaart, dan had je beter geen kinderen kunnen maken, doe gewoon, doe natuurlijk, straks schrikt je kind zich een ongeluk als het een echte volwassene tegenkomt. Toen dit kind nog gedragen werd, hingt het waarschijnlijk op de borst, met de blik op de borstpartij, maar beste ouder, moet je kind niet de wereld inkijken? Of je het leuk vind of niet, een kind wordt geboren om de wereld in te gaan, niet om vastgekleefd te worden aan zijn ouders. Wil je zo graag oogcontact? het kind is er niet voor jou, jij bent er voor het kind, laat het toch zo veel mogelijk om zich heen kijken.

Er kan het een en ander fout gaan in een leven, voor vele dingen kunnen we door de beheerders van de schuld en boete rekening als de schuldige worden aangewezen, vaak doen we het zelf. Globaal genomen gaat het erom dat we ‘maatschappelijk nuttig’ zijn, met als kern, economisch productief te zijn. Het schuldcomplex heeft een innige band met het ‘Arbeit macht frei’, de tekst die boven de ingang van de meeste Nazi vernietigingskampen stond. Hoe deze leuze te karakteriseren? Als cynisch? Dat is te zwak, uit mensen het laatste economische nut persen, mensen die sowieso ten dode zijn opgeschreven, arbeid als uitstel van je eigen vernietiging, dat gaat veel verder dan cynisch. Als duivels? Dat doet ze teveel eer aan; voor deze berekenende, wrede, moorddadigheid op industriële schaal, georganiseerd als een vuilnis ophaaldienst, gedreven door raciale en sociaal-hygiënische motieven, daar heb ik geen woorden voor. “Der Tod ist ein Meister aus Deutschland”, schreef Paul Celan. Als ik deze zin lees, dan moet ik altijd aan Martin Heidegger denken, als de dood een meester is, dan denk ik niet aan een kampbewaarder. Het land van de grote dichters, componisten en filosofen schreef ook de zwartste bladzij uit de geschiedenis van de mensheid, een constellatie die voor mij onbegrijpelijk is, of zegt het platweg dat cultuur slechts een dun vernisje is, dat het fascisme de wraakzuchtige opstand is van de instincten tegen het bewustzijn?

Losgemaakt van de Nazi’s zegt de leuze ‘Arbeid bevrijdt’: uw toekomst als individu, als volk, als maatschappij, ligt in de arbeid. Deze gedachte is niet typisch voor de Nazi’s, ze staat in een lange traditie: “In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten …”, zegt de bijbel; ‘arbeid adelt’ (leuze in de naam van de “Algemeene Vrouwenvereniging Arbeid Adelt”), het klinkt wat vriendelijker, sociaal-democratischer, de boodschap blijft hetzelfde. Het nuluren-conract is de onverbloemde bevestiging van het ‘Arbeid bevrijdt’: onder contract staan, zonder te weten hoeveel uren je gaat werken, of je überhaupt moet werken, thuis moeten gaan zitten wachten op een bericht, dat komt of niet; anders gezegd, het is belangrijker dat je werk hebt dan dat je daar een zeker inkomen aan ontleent. Aan de arbeid, jullie! En denk niet dat het je een recht op een behoorlijke vergoeding geeft. Het moderne sociale is gegroepeerd rond het ‘Arbeid bevrijdt’, het gezinsleven is er aan opgeofferd, dat krijg je als pappa en mamma allebei moeten gaan werken; het is geen toeval dat de term ‘sociaal’ voorkomt in zowel ‘Nationaal-Socialisme’ als in ‘Sociaal- Democratie’. Het is Partij van de Arbeid en niet Partij van de Arbeider.

De schaamte, het schuldgevoel, het slechte geweten dat mensen met zich meedragen, werken niet alleen in verband met datgene wat maatschappelijk van ze geëist wordt, ze werken globaal, bij alles wat mensen doen en zeggen, steeds is er een voet op de rem, dat gaat ten koste van de levendigheid, zich aanpassen aan wat als normaal wordt geacht, wordt een sterk, onbewust motief, met een verstikkende werking.

Hoe is iets gewoons, het neuken, tot zo iets bijzonders gemaakt, het is n.b. een natuurlijke be­zig­heid, maar het hoort met de gordijnen dicht te gebeuren, ‘t liefst in de slaapkamer, terwijl het ve­ren­de bed toch geen ideale ondergrond is, sommigen praten er moeilijk over, we denken in onze sexu­a­li­teit een belangrijk deel van onze waarheid te vinden, bijna niemand zal die zoeken in wat we eten, vol­gens Hollywood mag iemand op het witte scherm doodgeknuppeld worden, gezien vanuit ver­schil­lende camerastandpunten, vertraagd en versneld, maar een pik in een kut zien verdwijnen moet on­zichtbaar blijven, hier moeten we het doen met suggestie, wat een moraal. Er is een heel netwerk van dat hoort wel en dat hoort niet, van geboden en verboden rond het wippen gespannen, dat geldt voor veel gedragingen, maar die mogen in het openbaar gebeuren, het neuken is naar een privé ter­rein verbannen, het moet onzichtbaar blijven voor de anderen, alleen het poepen en piesen heb­ben een zelfde lot ondergaan.

Toch gebeurt er iets bijzonders, iemand gaat met een lichaamsdeel een ander lichaam binnen en wordt ontvangen (in de meer reguliere vormen van sex) en vormen zo tijdelijk een innige licha­me­lij­ke ver­bin­tenis. Is dat niet iets om bij stil te staan?

Sex is de met menselijke versierselen aangeklede voortplantingsdrift, opgesierd met stimulerende en regulerende attributen. We hebben geprobeerd het erotische verlangen op te sluiten in het kern­ge­zin, in het huwelijk gekoppeld aan het gebod tot monogamie, dat is niet gelukt, het oudste beroep van de wereld floreert nog steeds, evenals het overspel, op het internet is een ‘second love’ te vin­den, waarmee sex wordt bedoeld en niet liefde, ‘making love’ is een eufemisme voor neuken, het kind­je mag nog steeds niet bij de naam genoemd worden – what’s love got to do with it – neuken voor het huwelijk tiert welig en de homosexualiteit viert zijn feestjes, ondanks de (soms ge­weld­da­di­ge) manier waarop de heterosexualiteit als norm wordt gehandhaafd. De christelijke cultuur is hier de drijvende kracht, het idee was misschien dat een ongebreideld uitleven van vleselijke verlangens een gevaar zou kunnen zijn voor de noodzaak tot arbeiden, misschien, want we weten dat het ver­bie­den van iets, het een extra aantrekkingskracht geeft, wat het gevaar alleen maar zou vergroten, het ver­bod om onze geslachtsorganen in het openbaar te tonen maakt ze tot verboden vruchten en die sma­ken nog steeds beter, de R.K. Kerk weet van dit alles, priesters die er pap van lusten. Voor­be­hoedsmiddelen hebben een scheiding aangebracht tussen de voortplanting en het spel dat wij er om­heen hebben gebouwd, daardoor krijgt het spel meer ruimte. Nu proberen we de sex door de liefde te laten indammen, misschien het gevolg van onze poging het hu­welijk op liefde te baseren. Arme liefde, wat een onmogelijke opdracht, of geilt zij erop?

De zendelingen en missionarissen die in het zog van de veroveraars mee optrokken, begonnen er snel mee de voor hun nieuwe loot aan de mensheid een broek aan te trekken. Kut en pik, samen met het aan­lig­gende gat moeten, in ieder geval in het openbaar, onzichtbaar blijven en krijgen een apar­te sta­tus, ze worden tot iets bijzonders gemaakt, bij een overtreding moeten wij ons schamen, even­tueel vergezeld door een straf, de edele delen verworden zo tot een vies geheim. Op de foto’s die Leni Riefenstahl van de Nuba’s heeft gemaakt, is de pracht van hun lichamen te zien, in een latere re­por­ta­ge, als de islamitische heersers hun macht over de Nuba’s hebben gevestigd en de broek heb­ben ge­predikt, is het treurige effect te zien. riefenstahl_ex_nuba_12

Kut en pik zijn bezoedeld en dus ook wat we ermee doen, een politiek die uitmondt in het opsluiten van het neuken in de slaapkamer, een natuurlijke handeling is nu met schaamte beladen en we trek­ken de deur van de slaapkamer dicht om er intimiteit te zoeken, ‘intimiteit’, de romantische be­na­ming voor de schaamte die onze geile wellust vergezeld. De verbijzondering van onze ge­slachts­or­ga­nen tot smerige geheimen, de verplichte privatisering van de sex, zijn het armoedige ge­volg van wat we beschaving noemen, erotiek van het jaar nul, het begin van de christelijke jaar­tel­ling – hoe meer zielen hoe meer lust, is mijn antwoord. We schijnen, gelukkig, op de weg terug te zijn.

Advertisements